Visser / type de Marin
Noordzeevisserij is het op commerciële wijze
bedrijven van de vangst van vis op de Noordzee. Het betreft vooral platvis als schol, schar,
tong en tarbot en
rondvis als haring, kabeljauw, makreel, schelvis, koolvis
en poon. In het verleden was de vangst van haring veruit
het belangrijkste.[2]
Het 'oogsten' van vis uit de Noordzee is in de 16e
eeuw voor het eerst uitgebreid gedocumenteerd door Adriaen Coenen in zijn Visboeck.[3][4]
De visserij op haring met de vleet op de Noordzee werd van oudsher door
Holland, door Zeeland maar ook door Vlaanderen intensief bedreven.[5]
De export van het uiteindelijke product pekelharing was daarvoor zowel omvangrijk als
belangrijk.[6]
Ons tot Holland beperkend gaat het in het Zuiderkwartier
om toenmalige prominente vissersplaatsen als Maassluis, Vlaardingen, Delfshaven en Rotterdam en in het Noorderkwartier om vissersplaatsen als
Enkhuizen en Hoorn waarnaast ook wordt vermeld het
tegenwoordig nauwelijks meer bekende dorp De Rijp.[7]
Dit alles vond vond plaats onder gebruikmaking van een
vissersvaartuig dat buis was
genaamd. Deze werd opgevolgd door een zogeheten hoekerbuis en
vervolgens door een hoeker.
Voorts ging het om een reeks in zee uit te zetten staande
netten, vleet
genaamd. Kort toegelicht werd zo'n reeks van netten, zie voorbeeld
onder, door het vissersschip, rustig achteruit varend, in zee
gezet. Hierdoor ontstond als het ware een in zee staande muur of
wand. Vanaf het moment van zijn in zee gezette vleet, het
zogenaamde 'schieten' ervan, bleef het schip, als het ware
verankerd aan zijn uitstaande vleet, een aantal uren stil in zee
'steken'. De haringen, zwemmend in scholen, zwommen zich vast in de
netten; de kieuwen van de haringen weerhield ze, vanuit de mazen
los te komen. Na een bepaalde tijd of na een aantal uren werd de
vleet ingepalmd en de haring op het dek uit de netten geslagen.
Straks meer over de 20e
eeuwse haringvisserij.
La pêche est l'activité consistant à capturer
des animaux aquatiques (poissons, mais également et notamment crustacés et céphalopodes) dans leur milieu naturel (océans, mers, cours d'eau, étangs, lacs, mares). Elle est pratiquée par les pêcheurs, comme
loisir ou profession. Les techniques et engins de pêche sont
nombreux, dépendant de l'espèce recherchée, du milieu, voire du
bateau utilisé. La pêche est le plus souvent encadrée par une
réglementation qui tend à se renforcer1
afin de protéger au mieux la biodiversité, l'environnement et les ressources halieutiques (terme qui
désigne la connaissance de la biologie et de l'exploitation des ressources de la
pêche).
L'Organisation
des Nations unies pour l'alimentation et l'agriculture (FAO),
estime en 2005, qu'environ 48 millions de pêcheurs et
d'aquaculteurs fournissaient dans le monde des emplois directs et
indirects à environ 300 millions de personnes. Chaque humain
consommait en moyenne 14,4 kg/an
de poissons sauvages issus de la pêche, ainsi que 7,4 kg issus de pisciculture2.
Scientifiques et prospectivistes alertent sur le fait que
depuis quelques décennies, l'exploitation excessive des ressources halieutiques (surpêche) entraîne une diminution préoccupante du
stock de beaucoup de poissons dans le monde, mettant de nombreuses
espèces en danger, malgré le développement de l'aquaculture et de méthodes plus durables de pêche, avec
notamment l'utilisation d'écosociolabels (MSC), et des encouragements à une
approche écosystémique des
pêches3,
certains auteurs plaidant pour une « altermondialisation
halieutique »4.
Dans le cas des cétacés, il s'agit plutôt de « chasse », telle que la chasse à la baleine, au cachalot ou au dauphin.